Geitenhouderij in Nederland

Bij lammetjes denk je in eerste instantie misschien eerder aan schapen dan aan geiten. Schapen lopen vrijwel het hele jaar buiten en zijn een landschapsbepalend beeld. Bij schapen geldt dat het lammetje bij de moeder houden de norm is. Dat komt omdat verreweg de meeste schapen voor het vlees worden gehouden. Zo zijn de bekende Texelaar schapen een vleesras, gefokt op een zo hoog mogelijke vleesproductie. Wanneer dieren voor het vlees worden gehouden, is er geen reden om het dier bij de moeder weg te halen. 

Maar ook bij melkschapen blijven de lammeren doorgaans enkele weken tot maanden bij hun moeder drinken. Daarin verschilt de schapenhouderij sterk van de melkgeitenhouderij, waar de lammeren – algemeen gezien – vaak kort na de geboorte bij de moeder worden weggehaald. Het contrast tussen schapen en geiten maakt dat het de moeite is om extra aandacht aan lam-bij-mam bij geiten te geven.

Verreweg de meeste zuivel komt in Nederland van de koe. Ook een koe moet kalfjes krijgen om melk te kunnen geven. Na de geboorte worden kalfjes direct bij de koe weggehaald, omdat ze melk drinken die anders verkocht zou kunnen worden. Daarom is Caring Farmers, op initiatief van melkveehouders, de Kalf-bij-koe campagne gestart in 2022. 

Inmiddels is er kalf-bij-koe-melk te koop van het merk Kalverliefde bij Albert Heijn en Plus, en van Zuiver Zuivel in de biologische speciaalzaak. De campagne heeft veel aandacht gegenereerd. In de melkveesector wordt er anders gedacht: kalf-bij-koe wordt niet langer onmogelijk geacht, maar als ‘moeilijk maar mogelijk’ gezien. Het idee dat een kalfje bij zijn moeder hoort, vindt veel weerklank bij Nederlanders en in het maatschappelijk debat. Het is minder bekend dat hetzelfde gebeurt bij geiten en hun lammetjes. Met deze website probeert Caring Farmers ook hier aandacht op te vestigen.

In 2000 telde Nederland nog geen 100.000 melkgeiten. Op 1 april 2024 registreerde het CBS bijna 475.000 melkgeiten, verdeeld over grofweg 570 bedrijven. Waar een bedrijf rond de eeuwwisseling gemiddeld 117 geiten hield, zijn dat er nu ruim 800, en op de gespecialiseerde bedrijven meer dan 1.000 (CBS, 2020). Melkgeiten worden bovendien vaak gehouden door voormalige melkveehouders. Geiten vragen minder grond en voer dan koeien, en de stalinvestering is een stuk lager.

Het aandeel biologisch gehouden geiten is relatief groot. In 2025 telde Nederland 56 biologische melkgeitenbedrijven, en al jaren schommelt het biologische deel van de melkgeitenstapel rond de 9 procent (Staat van biologische productie). Toch komt het gros van de melk van de hoogproductieve witte geit van grotere, gangbare bedrijven; biologisch is daarbinnen een kleine niche.

LAM-BIJ-MAM-ZUIVEL IN DE SUPERMARKT?

Geitenkaas en -yoghurt liggen in elke supermarkt, maar zuivel van geiten die hun lammeren bij zich houden is er niet te vinden.

Wat maakt het ingewikkeld om als grotere geitenhouder een lam-bij-mam-systeem te implementeren? De geitensector is klein, omdat een geit weinig liters melk geeft, bijvoorbeeld ten opzichte van een koe. Een geit waarbij de lammetjes drinken geeft nog minder verkoopbare melk. Tot nu toe zijn de boeren met een lam-bij-mam systeem zelfverzuivelaars. Doordat zij hun zuivel- en vleesproducten zelf bewerken en rechtstreeks verkopen, kan het systeem voor hen financieel gezien wel uit.

Het probleem is dat er een afzetkanaal met een meerprijs ontbreekt. Zolang die keten er niet is, blijft lam-bij-mam het terrein van zelfverzuivelende boeren. Voor kalf-bij-koe-zuivel is inmiddels het begin van zo’n keten ontstaan: sinds oktober 2022 is er kalf-bij-koe-melk te koop van het merk Kalverliefde bij Albert Heijn en Plus, en van Zuiver Zuivel in de biologische speciaalzaak.

Deze website is een initiatief van Caring Farmers. Wij vertegenwoordigen koplopers en pioniers van dierwaardige en natuurinclusieve kringlooplandbouw en brengen hun landbouwpraktijken graag voor het voetlicht. Ook vragen wij aandacht voor de belemmeringen in wet- en regelgeving voor duurzame boeren.

Zo pleit Caring Farmers voor beleid dat onderscheid maakt tussen kleine/extensieve geitenhouders en grote/intensieve houders, zodat de wet- en regelgeving passen bij het bedrijfstype. Dit is relevant in het kader van de Q-koortsepidemie in 2009 en 2010, sindsdien ligt de geitenhouderij onder een vergrootglas. Door het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden stelde het RIVM vast dat mensen die binnen twee kilometer van een geitenhouderij wonen iets vaker een longontsteking krijgen. In het VGO-III-onderzoek bleef dat verband elf jaar op rij en in meerdere provincies overeind. Een sluitende oorzaak is lastig aan te wijzen, al vonden de onderzoekers in de stallucht bacteriën die longontsteking kunnen veroorzaken. Op grond van deze bevindingen hebben verschillende provincies een ‘geitenstop’ ingesteld: een rem op nieuwe bedrijven en op uitbreiding.

Caring Farmers plaatst daar een kanttekening bij. De onderbouwing komt vooral uit onderzoek naar grote bedrijven, terwijl kleinschalige houders met laagproductieve rassen en veel weidegang een ander verhaal vertellen. Voor die kleine boeren pakt de uniforme regelgeving vaak onevenredig zwaar uit. Geitenboerin Doetie Trinks moest door de stop halsoverkop een nieuwe locatie zoeken en betaalt voor haar kleine, laagproducerende geiten evenveel stikstofrechten en administratieve lasten als een groot bedrijf voor hoogproductieve dieren.